Karel de Nulde
Karel de Nulde was, zoals menig kenner van het universum en alles wat zich daarin ooit heeft afgespeeld, afspeelt en zal afspelen wel zal weten, net als kenners van het land Opper-Gertanibilabië, een volksstam in Zuid-Korea en natuurlijk mede-Hoelamboejanen, rijk. Daar bleef het niet bij: hij was namelijk erg rijk. Waar was hij dan wel zo rijk aan? Redenaarstalent. Hij was zo ongelofelijk geloofwaardig, dat hij monniken of priesters kon laten zweven. Als hij nu had geleefd, had hij in een betoog van minder dan vijf minuten de koningin ervan kunnen overtuigen dat Frans Bauer ook zijn schaduwkanten heeft, hoewel dit genie in werkelijkheid natuurlijk een ultraheld voor de Neerlandsche gezelligheid is en ook nog wel even zal blijven. Drie kwartier, gok ik.
Welnu, deze Karel, voorganger van vele andere Karels, liep eens tijdens een maansverduistering door zijn paleistuinen. Aangezien hij van deze grootschalig opgezette diefstal totaal geen erg had, beleefde hij een vrolijke en ongeruste promenade. Toen echter een van zijn dienaren in een rood hemd met schoudervulling, een blauwe 15/16 broek en stalen sandalen en bovendien nog met onderscheidingen voor medemultilateraliteit en veelwijverij op zijn vermagerde borstkas prijkend, Karels pad kruiste, sloeg deze stemming snel om, sneller nog dan de stemming van Wilhelm Schotanus op 14 maart 1696, toen hij bij het controleren van zijn aankoop van een peperdure tijdmachine geenszins een peperdure tijdmachine aantrof, maar een vijftiental in alle kleuren van de regenboog gewaterschilderde hyperactieve wimpansees en een kwart dozijn emoes dat zich qua vaardigheden beperkte tot de kunst van het apporteren, importeren en deporteren, daar een voor de Wilhelm Schotanus in kwestie volstrekt onbekend individu deze anderhalve dozijn dieren op de plaats van de door hetzelfde volstrekt onbekende individu ontvreemde tijdmachine is neergezet. De dienaar zei namelijk: “De maan is ontvreemd! Na de mars op Jupiter, de ontdekking dat Neptunus toch echt is en de ondergang van de zon is dat alweer een klap voor ons zonnestelsel!” Karel raakte zijn kalmte volstrekt kwijt en besloot er nog eens een nachtje over te slapen. En zo geschiedde.
De volgende dag riep hij een utaritos, voorts aangeduid als een dienaar in een blauw-geel-groen-paarsig uniform met een prachtige marineblauwe hoed die zijn trots goed aanduidde, bij zich en bestelde veertien hardgekookte hoendereieren. Karel riep nog een dienaar in een blauw-geel-groen-paarsig uniform met een prachtige marineblauwe hoed die zijn trots goed aanduidde bij zich en gebood hem wat kangoeroemelk in te schenken. De dienaar vertrok terstond naar Australië. Ondertussen vroeg Karel zich af wat hij in Taryunalvinosherzhewkaderfsnaam toch tegen deze interzonnestelselse verschrikkingen kon beginnen. Dat duurde best lang, aangezien de dienaar toch wel twee jaar onderweg was. Een volstaand antwoord kon hij niet te berde brengen. Praten kon hij als de beste, namelijk als Berthold Lambertzoon, de koning van het visserslatijn. Zelf dingen verrichten was echter een probleem. Hij besloot zich niet meer zorgen te maken over dingen waar hij toch niks aan kon doen. Aangezien de hoeveelheid dingen waaraan hij niets kon doen immens was, viel er een grote last van zijn zevenenzestig jaar oude schouders af. Hij was daarvoor immers allesverantwoordelijke van Opper-Gertanibilabië. Aangezien de voorloper van Karel de Eerste naar eigen zeggen “te oud om nog te leren” was, kon hij ook niet meer van zijn fouten leren. Dit bleek voor hem een vrijbrief om een drieëntachtig en een halve meter hoog loden standbeeld van een oehoejong boven op het stadstheater van de plaatselijke culturele hoofdstad te plaatsen. Hij stierf na een croquetongeluk aan de gevolgen van een ernstige kangoeroemelkallergie en gelukkig.
© Clippende tijger 2009
