Tortecio’s sage (Deel I)

“Hoogachtend, Tortecio Dondeo DiBossa” besluit Tortecio Dondeo DiBossa zijn brief. Hij plaatst zijn veer terug in het potje inkt en neemt zijn sigaar tussen ring- en middelvinger, om er eens lekker aan te hijsen. De dode wasbeer op zijn bureau kijkt hem aan alsof hij zou willen vragen: “Nu al klaar?” Tortecio weet dat dat een domme gedachte is, want dode wasberen kunnen helemaal niet praten, laat staan in het Nederlands. Toch moet hij toegeven: zijn brief was wat aan de korte kant.

De temperatuur van de brandnetelthee in het kopje op zijn bureau is inmiddels dusdanig laag dat er voor de gemiddelde Siciliaan nog weinig plezier aan te beleven valt. Heeft die thee even geluk, denkt Tortecio, dat ik geen gemiddelde Siciliaan ben. Hij neemt een flinke teug en sluit zijn ogen. Hij is inderdaad geen gemiddelde Siciliaan. Zo is hij in de eerste plaats een Nederlander en in de tweede plaats allesbehalve gemiddeld.

Hij stopt de brief in de gitzwarte envelop die hij een halve week daarvoor – namelijk donderdagnacht – daar al had neer gelegd om uiteindelijk deze functie te mogen vervullen. Die envelop was er al die tijd al klaar voor; het waren de woorden in de brief geweest die dagenlang op zich hadden laten wachten. Nu – op een nogal regenachtige maandagnamiddag – waren ze dan toch gekomen. Of het de brandnetelthee, de necrofilie of de Cubaanse joekel was geweest die ze uiteindelijk uit de tent heeft weten te lokken is een raadsel voor Tortecio.

Hij zet zijn bril af, hoed op en radio uit, om vervolgens de deur uit te gaan. Buiten wordt hij hartelijk welkom geheten aan de gezellige zijde van de vier muren van zijn houten woning in het bos, door een duizendtal vrolijke bomen. Als het regent ruikt het bos altijd extra lekker, vindt Tortecio. Hij passeert het vers herdolven graf van zijn zus en betreedt het zandpad dat leidt naar het nabije dorpje met de weerzinwekkende naam Bijdeblijdehertog.

Door maanhert

Plaats een reactie

Je moet ingelogd zijn om te kunnen reageren.